Koken, Koefnoen en huilbankjes

Handdoeken. Ik houd erg van oude handdoeken. Nieuwe handdoeken zijn niet fijn. Daar kun je je nauwelijks mee afdrogen. Zelfs na tien keer wassen niet. Handdoeken zijn pas fijn na vijf jaar wassen. Op hun best als ze ineens gaan rafelen – zo na tien, vijftien jaar – en dat ze dus bijna op het punt van vervanging zijn gekomen. Ik heb bijna het moment bereikt dat ik niet eeuwig door kan gaan met rafels wegknippen. Met pijn in mijn hart laatst al twee trouwe afdrogers naar de poetslappenbak verhuisd. Er zijn nog twee dierbare oudjes te midden van de relatief jongere exemplaren over (nog geen tien jaar oud, maar toch) en die twee koester ik. Oek, oek, oek, afdrogen doe je met een……..schaar.

En even heel wat anders, Owen Shumacher doet Moby, Of Moby doet een Owen Shumachertje. Ze doen elkaar vooral heel erg. Wellicht kennen ze elkander helegaar niet. Dat Owen Moby kent is logischer dan vice versa vermoed ik. Altijd als ik Owen zie, of een typetje zie doen, zie ik Moby. Als zichzelf of… als een typetje van Moby. Ook al doet ie een ander typetje. En als ik Moby zie, zie ik een typetje van Owen Shumacher. Moby goes Koefnoen middels een Owentje. Maar daar is Moby zich uiteraard niet van bewust. En Owen niet van Moby. Rare namen eigenlijk. Owen, het is zo’n struikelnaam en welke gek noemt een huisdier nou Moby? Ze bestaan. Die typetjes.

ow      images

Ik zou het ook nog hebben over onze Engelse aaibare vriend Jamie – Fifteen Minute Mealssj – Oliver. Dat slissen, dat vinden we schattig. Jamie, die varkenswangen de lucht in acrobateert en kilo’s koriander vanaf twee meter hoogte op een salade laat vallen. En die citroen hè? Jamie Olemon. Geen gerecht compleet zonder die uitgeknepen lemon. In alles, op alles. Leuke Djeemie in houthakkersbloes, hakkuh hakkuh en die alles met huid en haar in een blender gooit en die – om het u en hem gemakkelijk te maken – altijd potjes van één of andere West-Taiwanese Hong Too Fuk Yoo Too-saus op voorraad heeft of iets anders waar niemand ooit van gehoord heeft, laat staan dat je weet waar je dat moet kopen. Het groen is altijd in Macro-voorraden bij de hand. Sla, venkel, peterselie, koriander, basilicum, prei, gooi er nog wat bosuitjes bij, wortels, tomaten, spinazie en paksoi. Dat werp je dan met een soort van Hans Klokbeweging op een grote schaal (het liefst valt er iets naast) en daarna gaan de uitgebakken spekjes en/of iets met vette chorizo eroverheen en pak je dat grote stuk Parmezaanse kaas van zes kilo (ik schat zo rond de 160 euries) en rasp je nonchalant het schaafsel over de salade. Hoezo vijftien minuten? Alleen al al die boodschappen kosten meer dan drie dagen. Sterker nog, ik ben al anderhalf jaar op zoek naar die Zuk Ye Suf-kruiden uit het Indiase hooggebergte. Om over een uitgeputte bankrekening maar niet te spreken. Commercieel handig ventje ook. Maar goed, het heeft iets geinigs en ik vind het wél leuk om tips & trics te leren. Geen poespas met juist heel veel theatrale poespas. Zoals Jamie zou zeggen: “Geez, heaven!”

Jamie-Oliver-Jamies-30-mi-006

Tot slot nog even weer heel wat anders (als je een rode draad wilt, dan raad ik je aan gewoon een boek te lezen en dit blog te verlaten). Woordbankjes. Inmiddels verspreiden ze zich als paddenstoelen tegenwoordig. Bankjes met tekst in het bos, park of oude voetbalveld van mensen die overleden zijn. Ooit zag ik de eerste in de buurt van Neede. Mooi gebied, waar ik destijds nog wel eens met Owen liep. Ik vond het ergens wel wat hebben, dat nabestaanden dit voor hun ontvallen dierbare hadden gedaan. Voor Hans, in dit geval. Met een boompje ernaast. Lief. Toen ik daar was, was Hans vier jaar dood, zag ik. Zag Hans meteen voor me, hoe hij uitkeek over die weide en dat bos vanaf die plek. Ik liep daarna toch ineens anders verder, alsof Hans een beetje meeliep en meekeek, bij elke stap. Heb de foto nog, kijk

hw1

In dat bos was een klimboom waar ik wel eens in klom voor de gein (klein stukje maar hoor, want hoogtevrees). Owen vond dat raar, baasje in een boom.

Afb004

Na die Bankje van Hans-ervaring (Briefje van Bleeker), heb ik daar nooit meer geklommen. Dat durfde ik niet meer. Bang dat Hans mij zou veroordelen (boomvandaal!), om over het achter een boom plassen nog maar niet te spreken. Nu, jaren later, heb ik inmiddels meerdere van dit soort bankjes gezien. Zo plots er één voor het eerst zien verwondert. Na een stuk of vijf ligt het gevaar van een huilbankjes-hype op de loer. Owen is dood en zou ook best een bankje verdienen. Die was gek op de bank. En het bos. Zelfs haar favoriete plek voor die specifieke bank zou ik weten. Een bank van stof dan, niet zo handig in een bos. Met als tekst: “Liefdevolle herinnering aan Moby, dit was haar favoriete schijtplek”.

Ik zou ook wel zo’n bankje willen. Mijn dierbaren weten precies waar die zou moeten staan. Inclusief boompje ernaast. Maar ja, die tekst hè? Kwam deze foto recentelijk tegen en dat vind ik dan toevallig zo heerlijk.

1186773_570405909662317_905179661_n

Mijn toekomstige nabestaanden zouden dit gewoon ook kunnen doen en daarom heb ik juist hen lief. Die mensen verspreiden en sturen mij geen slijmquotes met iets van ‘smile today’ (alsof je dat kunt dwingen) en dat elke dag een feestje is met dat gedoe van slingers. “Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd”. Hoezo? Mijn hart vind van wel, want die klopt nog en ik heb toevallig een (iets met een K-) dag achter de rug. Nergens om hoeven lachen en toch leef ik nog. Gek hè? Morgen vast weer de slappe lach om iets, want dat heb ik ook geregeld. Of glimlachen om iets, ook goed.. Altijd maar die stempeltjes van optimist en pessimist. De optimisten zijn zich nergens van bewust en de pessimisten quoten zich te pletter. Ergens daar tussen in heb je de realisten. En mijn streven is om ooit dat cynisme vaarwel te zeggen en áls ik al in en hokje geplaatst wil worden, tot die laatstgenoemde categorie zal behoren. Al vrees ik dat de rol van outsider wel altijd aan mij zal blijven kleven. Ook goed. Met straks dat bankje met de tekst: “An outsider who loved the outside world”. Meer dan prima.

Salut, mon amies.