Ergens anders en thuis

Het is officiëel bijna winter, nu nog even in dat schemergebied tussen herfst en winter. Ik houd van de herfst, ik weet dat ik daar als kind het meest dol op was, dat seizoen. Die geuren en kleuren. Ik ging onbezorgd en als latente jonge basisschoolleerling altijd letterlijk met mijn mandje het bos in om al die schatten van kastanjes en eikels te verzamelen. Ik hield van de kleuren, maar vooral van de geur van herfst. Roodkapje all the way. Dat mandje, ik heb het nog.

Ik houd nog steeds erg van de herfst. Iets minder dan voorjaar en zomer, maar toch. Helaas denkt mijn gestel en brein daar inmiddels al jaren anders over. Als de blaadjes gaan vallen dan val ik meestal ook een beetje. Daar baal ik van, maar het is zoals het is. Ik probeer me te focussen op het positieve en te genieten van de herfst in de bossen en dat lukt vaak. Me concenteren op hoe het als kind was, maar ook, in het nu alles opsnuiven en genieten van de kleuren.

Enorm dankbaar voor het feit dat mijn reukvermogen toch weer enigszins terug is gekomen na die fucker van een Schub paar jaar terug. Geen herfst of vers gemaaid gras kunnen ruiken, dat vond ik heel naar. Maar dat is voor een groot gedeelte voorbij. Niet 100%, maar zo gaat dat met MS. Je levert steeds stukjes in. Zelfs al doet het wat met mijn gemoed, het najaar, ik voel dat ik de herfst weer soort van terug gekregen heb op een goede manier. Met al het goede gevoel van ooit als kind en de herinneringen van al die jaren in de bossen toen mijn bestie er nog was. We hebben er wat af gelopen en gesnoven.

Het gaat ondanks dit seizoen van heel veel donker best wel goed. Dat was jaren wel anders. Juiste MS-medicatie gevonden (al 2 jaar Schubvrij) en al geruime tijd antidepressiva erbij (had ik veel eerder mee moeten beginnen). Chemisch vrolijk voelt in ieder geval duizend keer beter dan ‘natural’ totaal uitgeschakeld zijn. Bovendien bespaart het me veel doktersafspraken. Geen afspraken, dan ben ik op mijn best.

Er is al heel lang geen hond meer (7 jaar) en het is karig gesteld met de vliegenzwammen tegenwoordig. Ik loop nu nog steeds op die plekken van toen, maar vind niet meer dat van hoe het ooit was. Typisch. Inmiddels in het nu is het merendeel van het blad gevallen en dan komt de ergste fase: dat van gekmakende en zinloze bladblazers de hele dag, de hel qua overprikkeling. Heb 50% van de dag de Peltor cap op tegenwoordig om dat geluid te dempen, Het kost zoveel energie, waardoor ik vaak niet in staat ben om te douchen, boodschappen te doen of al die ‘gewone’ dingen op een dag. Elke dag gooit al dat lawaai al je plannen die je had in het roet. Steeds weer aanpassen en uitstellen. Hopen dat er in een week een dag is zonder geluidsoverlast.

Het was een fantastische lente en zomer. Ik hoor veel verontrustende berichten, maar er waren volop insecten, vlinders, vogels en bijen hier. De huismussen wonen hier al een tijd in kolonie in de heg en de merels waren gelukkig ook weer in normale populatie aanwezig na die rotziekte een tijd terug.

De nieuwe pimpelmezen werden wederom geboren in het oude nestkastje afgelopen voorjaar, zoals hun voorouders al 20 jaar geleden.

De net uitgevlogen jonkies zien er altijd een beetje uit als Trump, maar dan met een meer fatsoenlijk kapsel. Ze zijn inmiddels groot geworden en eten elke dag van het voer dat ik ze geef. Pindanetjes, strooivoer, pindakaas. Nu het koud is zijn ze nog steeds hier. De mussen, de merels, de vinken, de koolmeesjes, pimpelmezen en de roodborstjes. Soms de groene en de bonte specht. Duiven, kauwen en eksters ook. Die moeten ook eten, weet ik wel, maar dat gaat dan weer ten koste van de kleintjes. Vogelvoer staat op nr. 1 op mijn boodschappenlijstje. Probeer er alles aan te doen om op micro-niveau ze te voorzien in wat ze nodig hebben. Zonder vogels en insecten is er een kans dat er niets meer te genieten valt qua natuur en huis en tuin op de lange termijn. Bovendien, ik geniet zelf heel erg van mijn gevederde vriendjes om me heen elke dag. Ook de wat zeldzame. Zo fijn om te zien dat het echt werkt, met een beetje inspanning in de tuin.

In al die 21 jaren dat we hier wonen (al voor de klimaatdiscussie) heel erg mijn best proberen te doen een tuin te creëren die vogels, vlinders, bijen en insecten lokt. Ik wilde ook per se een boom in de tuin. Puur eigenbelang, want ik houd daar gewoon van. En ik kan je zeggen, ik word er dagelijks voor beloond.

Ik realiseer me dat er genoeg mensen zijn die weinig geven om vogels, bloemen en een tuin. Meer van cultuur zijn, maar wel snappen dat we zonder zorg voor natuur kansloos zijn. Prima, ieder zijn ding. Ik wens hun wel de vreugde van natuur in eigen beleving.

Persoonlijk zou ik echt een stuk minder gelukkig zijn zonder dat alles. Sterker nog, zonder mijn tuin zou ik oprecht ongelukkig zijn. Ik heb elke plant ooit eigenhandig geplant en weet de namen, zelfs de latijnse. En alles wat hier woont, zoemt en vliegt. met het uitzicht op het veldje met schapen en al die bossen om de hoek. Het is fantastisch. Ik loop veel in de omgeving nabij en ben me er zo van bewust hoeveel geluk ik heb hier te wonen, temidden van zoveel mooie natuur en rust. Ik ben geen stadsmens. Heb natuur zoveel meer lief dan mensen, cultuur en beton. Zo letterlijk hard en met veel lawaai en de wens voor aandacht steeds. Ik kan dat simpelweg niet meer bijbenen. Voel me goed op de achtergrond en in mijn cocon van vermijden, rust en groen.

Toen ik de hond nog had en urenlang in bossen verbleef, zocht ik destijds vaak diep in het bos een boom op om tegen aan te zitten, op een plek waar niemand mij kon zien. Ver van alles, al het geluid, alle mensen. Dat van alles niets. Ben heus geen boomknuffelgekkie, maar heb veel rust en troost ervaren in tijden dat het serieus minder ging door bossen en bomen.

Heb een heel ouderwetse tuin. Met gras en veel bloemen. Qua tuin heb ik alles het liefst ouderwets. Er zijn hagen aan beide zijden, nestkastjes, een voedertafel voor vogels en twee vogelbadjes.

In de winter mis ik het gezoem altijd.

Deze twee eenden waren weken aanwezig in het voorjaar. Jaarlijks dingetje. We noemen ze inmiddels Zeur en Piet. Beetje tot vervelends toe met al die eendenstront en dat gebedel om eten. Maar goed, beter dan jeukrupsen in de tuin. Jongste bekommerde zich vooral om deze twee. Bij gebrek aan hond, een huisdier, omarmde ze Donald en Katrien vooral met voeren.

Volgende week is het Kerst en dat is al meer dan dertig jaar gezellig met familie. Vorige week gingen we uit eten met mijn tak van de familie. Vroeger was dat gezellig, nu doe ik het voor mijn ouders. Het was superdruk, teveel prikkels en teveel eten. Eenmaal thuis belandde mijn maaltijd van 30 euro plus niet veel later in de wc. Overgeven all the way. Weg zaterdagavond, ellendig in bed doorgebracht,

Ik zie best een beetje op tegen die kerstavond. Wil zo graag dat het zoals vroeger was, ik weet zo hoe die avond is en altijd was, dat van dat ongedwongen, veel lachen vooral. Op dat soort momenten ben ik me vooral bewust hoe MS en hersenbeschadiging een enorme impact heeft gekregen. Dat ik vroegtijdig naar huis moet, want feestjes en gezelligheid duren altijd langer dan ik aankan.

Nog een week en dan verblijven Manlief en ik weer in ons vaste adres op Fuerteventura. Dat van zon in de winter en weg van alles dat schuurt, wringt, lawaai en kou. Drie weken van totale rust. Dat huisje in the middle of nowhere. Gek wel, ik ben een extreme huismus en vind zelden de vorm van rust en comfort buiten mijn eigen huis en tuin, die mij past als een jas. Maar daar wel, het voelt inmiddels als thuis.

Er zijn inmiddels ook al plannnen gemaakt voor nog meer zielvullende dingen. Ik kan niet wachten, maar het kost tijd, Ik houd jullie op de hoogte. Voor nu zie ik 2020 met heel veel positiviteit tegemoet. Geen idee wat gezondheid in petto heeft, altijd een verrassing, maar voel me sterker dan ooit. En het is niet eens zomer!

Ik wens jullie allemaal liefdevolle feestdagen, prikkelvrije of uitbundige momenten naar behoefte plus liefde en aandacht voor jezelf en jouw geliefden.

Be well xx

Sara plus

Laatst was ik jarig. Ik was vorig jaar zoals iedereen ook een keer weer jarig in een jaar. Toen werd ik 50, een mijlpaal volgens de algemene opinie. Ik heb persoonlijk niet zoveel met mijlpalen. 30, 40 of 50 worden, ach. Ik vind het al heel wat dat ik überhaupt de 50 heb béreikt gezien mijn levensstijl, zeker in combinatie met chronisch gedoe. Al is gelukkig mijn chronische gedoe niet zozeer levensbedreigend. Nu nog niet. Het enige wat ik wel prettig vind – behept met lichtelijke OCD-trekjes – zijn ronde getallen. 50 worden vond ik daarom leuker dan 49 en laatst dus 51. Maar goed, ik behoor nu dus officieël tot de vijftigplussers. Wel een goed teken dat Magere Hein aka Henk Krol me nog steeds niet heeft gefeliciteerd.

Las recent een bericht van iemand die 30 werd en het leek alsof zijn leven voorbij was in al de dramatiek. Arme schat. Persoonlijk vind ik een dag waarop ik weer levend, ziende en functionerend wakker word al best bijzonder. En dat Jongste (19) en ik op vele dagen nog steeds elkaars rug kriebelen zoals vroeger. Sowieso dat Jongste nog in mijn leven is, want dat was ineens even niet meer vanzelfsprekend bijna 2 jaar geleden. 29 januari 2018.

Ik mag dan niet zoveel met jaartallen hebben, maar wel met specifieke data. Dagen die een enorme impact hebben gehad t.a.v. mijn zijn en het handelen ernaar. Ze zitten op een of andere manier allemaal in mijn hoofd, die specifieke dagen. Van dag, soms zelfs uur, tot jaartal. De nare, maar ook heel veel fijne momenten van impact. 21 december 1984, 22.00 uur. 10 oktober 1996, 18.30 uur. 5 september, 2005. 28 mei 2000, 0.30 uur. 30 april 2012. 15 oktober 2003, de hele avond. 18 april 2007. 1 februari 2001. Enzovoort.

Gebeurtenissen die mij mede hebben gevormd tot diegene die ik nu ben als 51-jarige. Alle foute en goede keuzes die ik heb gemaakt in al die afgelopen jaren vanwege dat. Alles wat ik meer dan overdreven vaak deed toen het nog kon, alles wat ik tegenwoordig niet meer doe en kan, maar soms ‘moet’. Ik ben dankbaar voor het leidmotief dat me door vele ups and downs heen hielp al die jaren: mijn intuïtie. Ik navigeer daar altijd vooral op, het heeft me zelden teleurgesteld in de waarheid en mijn keuzes. In handelingen, wanneer ik echt aan de bel moet trekken en om hulp moet vragen, maar ook ten aanzien van mensen. Ik geloof wel dat sommigen in mijn kringetje dat wel weten, met ook zo’n antenne. Die vermijden mij tegenwoordig liever, wat ik wel snap. Ik ben geen allemansvriendje, niet meer.

Buiten mijn closies en als kluizenaar tegenwoordig wordt het steeds duidelijker welke mensen er nog steeds toe doen en wie niet. In gedoe is dat van terugtrekken vaak een probleem voor sommige anderen. Dat heb ik losgelaten. Niet mijn verantwoordelijkheid meer. Er zijn mensen die hersengedoe bij anderen vooral heel lastig vinden voor zichzelf. Ik wens ze veel geluk en sterkte met hun eigen geploeter. En ja, het raakt me heus, hun geploeter. Maar ik verplaats het probleem naar daar waar het hoort, bij diegene met het probleem. En vertrouw erop dat ze zelf als volwassenen zelf wel weten wat te doen qua hulp. Ik ben een hele slechte uitvalsbasis voor anderen met gedoe geworden, daarvoor is er teveel eigen gedoe. Family first.

Ik heb een kutziekte waar ik elke dag mee te maken heb, het heeft mij gevormd tot iemand die ik eigenlijk niet ben en niet wil zijn. Maar heb MS inmiddels geaccepteerd als mijn onvrijwillige vriend in het leven. Pieken en heel heel veel dalen. Het vormt je, alles krijgt een ander perspectief. Alles wat ik was en ben, het heeft alles veranderd in mijn hele zijn. Ik accepteer het en handel ernaar, dus veel medisch gedoe en afspraken waar ik eigenlijk vaak te moe voor ben. Maar het moet.

Veel mensen hebben gedoe, iedereen ploetert op zijn of haar manier. Of je nou fysiek of mentaal lijdt, weet dat het nooit een competitie is tussen jou en anderen. Maak er in godsnaam geen wedstrijd van om sterkte te bewijzen. De sterkte zit vooral in de moed om kwetsbaar te durven zijn. Geen maskers meer. In tijden van gedoe zoek je de beste hulp en trek je elke dag die grote broek aan om het vol te houden. Iemand die echt ploetert behoeft geen medelijden, alleen maar de beste hulp. Ik verwacht niet zoveel van anderen. Dat is een enorme bevrijding voor mezelf, dat ik dat niet alleen zeg, maar ook intrinsiek voel en het stadium van pleasen voorbij ben.

Dat lijkt voor anderen misschien triviaal, maar voor mij is dat serieus een hele grote overwinning waar ik jarenlang naar op zoek was. Om dat niveau te bereiken, geen pleaser meer zijn, maar de focus op wat ikzelf nodig heb. Het duurde twintig jaar. Wel een mooi rond getal, kers op de taart.

Ik loop nog, ik praat nog en kan nog zien. Mijn rechteroog heeft het ooit opgegeven, maar mijn linker (nog) niet. Andere functies zijn inmiddels ook al uitgeschakeld, maar die zijn onzichtbaar voor anderen. Dat ik de wereld en mijn geliefde naasten nog steeds kan zien is uitzonderlijk fijn. Ik denk inmiddels in dagen. Soms weken. Toegegeven, soms maanden. Maar leef niet (meer) vanuit ooit bedachte mijlpalen met ronde getallen. Ik heb mijn eigen mijlpalen wel, op een manier die velen niet snappen.

Jarig zijn. Jaren vierde ik dat altijd met de bekende kringetjes van familie en vrienden. Met eerst dat van koffie en gebak (plus dat van eerst de boodschappen) en blij zijn dat die koffiefase over is en je door kunt naar de drank en hapjes. Of eigenlijk, als de hapjes op tafel staan vermelden waar de drank staat, zodat iedereen zich lekker zelf kan redden en niemand zich meer bekommert over het feit dat jij als gastvrouw ineens niet meer de butler bent. Het moment dat je zelf achterover kunt leunen en eindelijk zelf ook toekomt aan iets van vieren. Of op andermans feestje, dat de jarige waarvoor je kwam ook eindelijk verschijnt en deelneemt aan het feestje in plaats van in de keuken te zijn en rond te lopen met koek en zopie.

Die vorm van vieren lukt niet meer en heb ik afgeschaft. Zo blij dat wel gedaan te hebben toen het nog kon. Hoe lief ik die mensen ook (nog steeds) heb, zo’n setting heeft voor mij al jaren totaal niets meer te maken met gezelligheid en iets van vieren. Een kakofonie van monologen (met stemverheffing) in een kringetje. Te druk vooraf en tijdens. Ik wens dan iedereen alleen maar weg, zo moe. De voorbereidingen maken mij al hondsmoe en dan moet het feest (lees: de kakofonie) nog beginnen. Totaal overprikkeld waardoor mijn hele brein en lijf protesteren. Geen ruimte voor iets vieren meer. Te vaak dat ik op een verjaardag van een van wie dan ook in dit gezin naar boven ben gevlucht en ongelooflijk moest overgeven, vanwege al die overprikkeling. Ik zorgde natuurlijk wel dat niemand dat dan in de gaten had. Beneden hadden ze het tenslotte steeds gezelliger, naarmate meer drank in het spel, en nog een tikkie meer luidruchtiger. Gezelschap dacht dat ik meestal gewoon even lag te rusten, want dat van vermoeidheid weten de closies wel.

Dat had ik wel gewild dat rusten, want echt zo ontieglijk moe in zo’n situatie. Maar moest vaak dichtbij de wc blijven op de badkamervloer om niet ergens anders te kotsen (bed bijvoorbeeld), want meer werk in opruimen en daar heb je dan geen puf voor. Zeker niet tijdens een verjaardag. Zelfs in overgeven blijf ik praktisch. Eenmaal beneden liegde ik dat ik had gerust, in plaats van dat overgeven, om de stemming niet te verpesten. Dus gaf ik zelf het sociaal wenselijke signaal af dat ik er wel weer even tegen kon. Wat niet zo was. Belachelijk please-gedoe. Ik wenste iedereen weg, maar nooit de moed gehad om dat te zeggen tijdens feestjes. Als je te maken hebt met hersenschade en overprikkeling als gevolg, dan weet je dat iedereen buiten jouw gezin nooit echt zullen snappen wat de consequenties zijn.

Ik doe daar dus niet meer aan, verjaardagen. Niet van mezelf en niet die van anderen. Zonder mij hebben ze ook heus wel lol.

Ik ben gezegend met lieve en begripvolle mensen om me heen die niet zozeer oordelen en turven. Die ooit echt hebben geluisterd en snappen dat zoiets niet meer lukt. En veel minder van mij verwachten dan ik zelf altijd dacht dat ze verwachtten. Dacht, verleden tijd dus. Ik hoef het niet eens meer uit te leggen, dat is zo fijn. Op een paar mensen daargelaten die moeilijk kunnen breken met tradities en het omgaan met veranderingen. Die van quid pro quo en gedoe als competitie zien. Of heel begripvol zijn, totdat het niet meer past in hun straatje, andermans gedoe. Om mij heen heb ik mensen die zelf nogal te kampen hebben met eigen gedoe, in de vorm van kanker, neurologische shit, mentaal en fysiek enorm ploeteren of geploeterd hebben, zorgen om kinderen et cetera. Het zijn hen die nooit turven en oordelen, het zijn hen die snappen dat je even een tijd van de radar bent, ook al hebben ze het zelf tegelijkertijd ook heel moeilijk.

Ik denk dat ik een feest met de hele avond dansen (zonder praten) nog steeds best wel aan zou kunnen. Ik houd van muziek en kan me daar in verliezen. Ik houd ook van dansen. In dansen is er dan een focus waarin ik in een gezelschap toch op mezelf kan zijn. Zoiets als snorkelen of duiken, soort van dat je je onder de oppervlakte begeeft en de wereld om je heen even helemaal weg is.

Ik durf te beweren dat ik jarenlang bekend stond als een feestbeest. Intimi weten dat. Ik was die van ‘we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet’ en meestal degene die het licht uitdeed op een feestje. Hoogstwaarschijnlijk heb ik vroeger zelfs anderen in de weg gezeten die allang naar bed wilden, maar dan zat ik er nog. Ook met MS heb ik heus nog lang kunnen feesten. Vooral tijdens feestjes met Bowiemaatjes.

Hoeveel er ook veranderd is, wat hetzelfde is gebleven is mijn persoonlijkheid, mijn zijn. Een lichtelijk eigenwijs type met nogal een mening over dingen, met een intrinsiek gewortelde eigenschap om extreem de controle te willen houden over zo’n beetje alles in het leven. En dan komt zoiets als MS in je leven. Wat ironisch genoeg alleen maar chaos veroorzaakt. In controle, onvoorspelbaarheid en tevens iets dat alles probeert te verwoesten van hoe je ooit was en hoe dat ook nog vaak gelukt is

Ik heb echt geen zin om in een slachtofferrol te gaan zitten en dat weiger ik ook, vandaar dat egoïsme op vele fronten. Gezelligheid is hard werken geworden en ik heb mijn eigen manier van gezelligheid wel gevonden. Dat hoeft niet per se met anderen meer. Mis feestjes niet zozeer. Vooral kringetjes verjaardagen met chit chats en het overschreeuwen van elkaar niet.

Maar soms is het wel even heel erg kloterig dat je echt een heel speciaal feest van een dierbare vriendin gemist hebt. Voor het eerst heb ik achteraf serieus gehuild om een feestje waar ik wederom niet bij was. Dat zij trouwde met haar lief als verrassing op het feest waar ik niet bij was. Ik weet hun begin nog. 2006. De details, de voorzichtigheid, de nieuwe liefde. Dat was zo mooi. Kwetsbaar nog. Dertien jaar geleden. Haar worsteling, mijn worsteling destijds. In alles van liefde. Ik heb een enorm dierbaar moment gemist van iemand die mij heel erg dierbaar is. En dat neem ik MS enorm kwalijk, mij momenten ontzeggen waar ik bij zou moeten horen. Ik huil niet vaak, ik huil zelden vanwege MS, maar toen even wel.

Op de dag dat ik 50 werd vorig jaar zat ik ergens in Friesland in een huisje met Manlief. Waar we samen proostten op mijn halve honderd, op alle ellende en al het geluk. En alles wat niet meer is en alles wat er nog wel is en alles wat ons heeft doen pieken en nog. Mijn god, dat hebben we echt zo gedaan, dat pieken. Alles waar we samen zo enorm veel van hebben genoten en alles waar we zoveel verdriet om hebben gehad. Alles wat we hebben gedaan toen het nog kon. En wat niet meer kan. En alles wat we nog steeds doen. Dat we ons nog steeds soms heel erg verloren voelen vanwege alle shit en desondanks nog steeds kunnen pieken. Dankzij een enorme saamhorigheid in de basis. Vooral in de kleine simpele dingen. Het kleine is heel groot geworden,

Als ik dan een voordeel van MS en het geploeter met een kind zou moeten benoemen, dan is het wel de keuze om écht voor jezelf te kiezen en dat je – met elkaar – alle ballast van het leven makkelijker opzij kunt schuiven. Al het zinloze uit je leven bannen.

Ik kreeg iets heel persoonlijks van Manlief dat weekend toen ik 50 werd, dat was redelijk ontroerend. Een paar dagen later iets samen met de kinderen. Het was fantastisch, behoorlijk emotioneel. Vooral om te ervaren dat zij mij echt kennen. De moeite die zij hadden gedaan. Dat van de focus op passie, in plaats van gedoe.

Een jaar later nu. Ben 51 geworden en voel me meer gelukkig, gezonder en minder angstig en depressief dan diegene die 48 werd. De persoon die twee jaar geleden zelfs bij een cardioloog belandde. Fietstesten, hartfilmpjes en alles. Menopauze, MS, Schubs, zware depressies waar geen einde aan leek te komen, plus de zorg rondom een kind hielpen niet echt mee. In het ziekenhuis strompelde ik toen letterlijk naar de cardioloog destijds, zo uitgeput. Mijn benen deden het letterlijk niet meer. Alarmerende hartklachten. Fysiek en mentaal compleet uitgeput.

Ik was niets meer. Douchen was als een marathon lopen. Belachelijk hoge bloeddruk toen. Het bleek psychosomatisch. MS veroorzaakt levenslange burn outs. De enige manier om dat enigszins onder controle te houden is om alles los te laten wat dwingt en schuurt. Je eigen regie aanhouden, je intuïtie volgen. Vanaf toen ging er een knop om. Onder het moe en gedoe kan ik niet uit, maar dankzij antidepressiva en wetenschap (vernieuwdeMS-remmers) is het leven inmiddels hanteerbaar geworden. Ik omarm elke dag waarop douchen niet teveel is. Ook heb ik geluk enorm fijne vrienden en familie te hebben die niet van het turven ziin en kunnen dealen met zo’n terugtrekkend type als ik. Weten wanneer je jarig bent zonder Facebook. Heb per post (en ook in het echt) heel veel liefde ontvangen toen ik vorig jaar en laatst jarig was in de vorm van speciale kadootjes en heel veel lieve woorden en bloemen.

Van een lieve vriend kreeg ik laatst twee kaartjes voor een optreden van het Bowie Collective aanstaande februari hierin de buurt. Met o.a. de woorden “Voel je niet verplicht” Daar ben ik enorm dankbaar voor, dat soort mensen in mijn leven. Ik hoop zo dat ik er bij kan zijn die dag.

Ik vier mijn eigen kleine feestjes elke dag. Op vele dagen kan dat niet, want te moe en overprikkeld. Het is niet afhankelijk van anderen en sociaal gewenst gedrag meer. Maar dat wat voor mij werkt.

Nog een maand en dan zijn Manlief en ik weer op Fuerteventura. Net na de kerst, weg voordat het vuurwerkgeweld begint. De zon opzoeken in de winter, het brengt heel veel goeds. Inmiddels op onze vaste plek ergens in the middle of nowhere daar. Ver weg van gekmakende bladblazers en al die overprikkelende geluidsshit. De zee dichtbij, de plek waar eerst de meiden ook bij waren

Nu is het iets geworden van Manlief en ik alleen. Soort van heilig. Die paar weken even weg in de winter van kou, gedoe en werk. Aan zomervakanties doen we niet meer met nog meer hitte elders en veel teveel mensen om je heen. Even weer aan elkaar toekomen. Heel veel zon op de snufferd elke dag. Rust vinden en de batterij opladen die nodig is om daarna weer beter te kunnen dealen met alles wat in dit gezin niet vanzelfsprekend is.

Je eigen licht zoeken, dat licht is voor iedereen anders. Maar blijf het volgen, wat jou gelukkig maakt. Ik blijf het proberen.

Gewassen beddengoed

Het is september. We zitten buiten op een zondagmiddag. Alweer. Zoals we dat al eindeloos lang doen de afgelopen maanden. De veranda is al maanden de woonkamer. Nu even weer op het terras achterin de tuin deze namiddag, met de najaarszon die onze gezichten en de buste verwarmt. De zon bereikt inmiddels de gestrekte benen op het tafeltje niet meer zoals voorheen, maar ze is nog hoog genoeg om te stralen tussen het dak van de buren en de onze. Nog krachtig genoeg om koppies te verwarmen.

Gewassen beddengoed hangt aan de waslijn. Allang droog, maar nog niet aan toe gekomen om het af te halen. Wij kunnen dat, met van alles druk zijn, maar ook ineens alles laten liggen en gewoon gaan zitten. “Nu er nog zon is”. Gevleugelde woorden hier thuis.

Binnen staat een quiche in de oven. Het is knap om een quiche te verprutsen, want makkelijk gerecht, maar heb het idee dat deze best goed gelukt is deze keer. Af en toe loop ik even naar binnen om te checken. Maak ineens een salade, want dat was ik vergeten. Ik vergeet tegenwoordig wel eens dingen die ik voorheen eigenlijk nooit vergat. Manlief komt binnen.Ik dacht, waar blijft ze? Wat ben je druk ineens. Roseetje?” En zo gaan we saladeklaar weer zitten daar achterin. Met een rosé.

Een nogal obese hommel doet zich tegoed aan de (voor de derde keer) bloeiende klimroos voor mijn snufferd. Rozen zijn nogal van het SM-principe: flink pijn veroorzaken met constant snoeien en de orgasmes in bloei vliegen je om de oren. Zelfs in november nog. Heb ze veel gesnoeid deze zomer. Met handschoenen uiteraard, want zelf wat minder dol op pijn.

Kwetsbaar ook, want bij een enkel vleugje wind worden ze al weggeblazen, dus het hele terras hierachter ligt altijd vol met rozenblaadjes. Dan kun je denken ‘troep’ of ‘romantisch’. Nou ben ik van nature niet zo van het standaard romantiekgedoe, maar houd ook niet van troep. Voor nu zijn de rozenblaadjes onder mijn voeten vooral een symbool van lekker laten liggen en te moe om me druk te maken om zoiets.

Overal in de tuin zijn talloze bijen en vlinders actief op en rondom de nog steeds bloeiende planten. Op de zonnebloemen naast ons op het terras achter is het een al gezoem van bijen. Op de pergola zit een libelle. Ben me er van bewust dat we hier achter eigenlijk in het territorium van de vogels zitten, hier naast de voedertafel en letterlijk onder de pot pindakaas. En dat laatste, dat is toch echt de haute cuisine des oiseaux. Ik stel me voor hoe de mussen en mezen nu een tikkie chagrijnig verscholen in de hagen zitten vanwege ons hier.

September. Ik denk aan de nestkastjes van mei met jong gebroed. Altijd een feestje in de tuin. Waar is mei gebleven? Het lijkt vorige maand. De pasgeboren pimpelmeesjes van toen zijn inmiddels al in de meno- of penopauze. Best veel opvliegers in een kort leven bedenk ik me. No pun intended. Beetje wel eigenlijk, hehe.

In de twee vogelbadjes zijn merels en mussen gezamenlijk genoeglijk aan het badderen. Heb inmiddels ontdekt dat de namiddag het hammanmoment voor vogels is. Geniet elke dag van dat geplons. Al die gevederde vrienden hier in de tuin, heb er een enorm zwak voor.

Ik vind de meeste vrede met mijzelf en rust in mijn eigen achtertuin met alles wat bloeit, vliegt en straalt. Zonder afspraken met mensen, sowieso iets zonder afspraken maakt mij blij in het dagelijkse gevecht tegen vermoeidheid. Na twintig jaar ben ik uitgeluld bij psiegen en paten die ik eindeloos heb bezocht. Heb veel geleerd van mijn tijd in het revalidatiecentrum. Ben nog nooit zo moe geweest als toen. Revalidatie tijdens een Schub, geen beste timing. Maar heb daar wel geleerd dat niets hoeft als het niet kan. De fysiotherapeut destijds zette mij in een kamer apart in een relaxstoel. Ik verwachtte dat ik inspanning moest laten zien, maar zij en anderen leerden mij daar vooral dat ik rust moest leren te vinden. Heb ineens de hele revalidatie stopgezet, het was niet te doen. Zij leerden mij dat ik zelf mijn grenzen kon bepalen, mijn eigen regie kon hebben. Dus besloot ik voortijdig te stoppen, want te moe. De revalidatiearts begreep dat.

Het was zowel een verschrikkelijke als leerzame tijd. De omgeving was verschrikkelijk, de afspraken elke week op het tandvlees. Maar de deskundigheid was groot. Echt op hoog niveau. Van ergo, fysio, logo, psycho en meer peuten en logen. Ik heb daar vooral geleerd dat ik nog meer mijn eigen gevoel moet volgen als het om mijn welzijn gaat. Dat deed ik al, maar zij bevestigden dat met nogal wat afspraken die mij heel veel energie hebben gekost.

De laatste jaren stonden vooral in het teken van afspraken rondom Jongste. De enige reden waarom ik naast mijn eigen noodzakelijke afspraken nog afspraken wil hebben. Ooit hoop ik op een afspraakloos leven zonder zorggedoe, voor een keertje.

Nip aan mijn roseetje. Fijn dat de merels zich hebben hersteld en weer als vanouds in grote getale aanwezig zijn na die rottige merelziekte. Ik houd van merels, de beste zangers die het voorjaar slingers geven, hun liefde voor badderen, hun geinige gehup op het gras en slimheid in pieren vinden. Loyaliteit naar het nageslacht en meestal iets van een derde leg in 1 seizoen en steeds maar weer met onuitputtelijke energie al die kids opvoeden die steeds om je heen drammen. Zelf gezien. Je vraagt je af hoe dat ooit zelfstandig en net zo sterk als hun ouders moet worden. Maar de natuur is onnavolgbaar en fascinerend. Zolang de mens zich daar niet mee bemoeit.

Merels hebben naast de mussen vaak een nest in de klimop in onze tuin en soms hebben ze in het houthok een nest gemaakt.

In het voorjaar altijd het koppel eenden, daarnaast uiteraard altijd duiven, eksters en kauwen (niet mijn favorieten), maar geregeld ook reigers, kwikstaartjes, Vlaamse Gaaien, roodborstjes, spechten en meer. Soms groene spechten, maar vaker de bonte kleine specht. Vooral als er kersen zijn in juni. Het spechtenblok dat we gemaakt hebben volgens een tip van de vogelbescherming en in de kersenboom hangt werkt écht. Heb ooit meerdere foto’s gemaakt die nog mooier zijn, maar kan ze nu even niet vinden.

Aan kersen geen gebrek gehad dit jaar. Tijdens het plukken at ik er al veel op, maar ben geen zoetekauw en al gauw zat van fruit. Zakken weggegeven aan buren en familie. Eerder hadden we ook nog een appel- en pruimenboom. Heel leuk, maar je krijgt het zelf niet op, bent de hele dag bezig met plukken en opruimen om het vervolgens weg te geven aan anderen.

Regelmatig bezoek van een verdwaalde reiger, die eigenlijk in de tuin van de buren moet zijn die een vijver hebben met vissen. In de zomer hoor ik de kikkers in hun vijver, ook altijd een mooi zomers geluid.

Ik zit hier en voel me dankbaar en rijk. Met de zon op mijn vermoeide snufferd. Op deze plek, op dit moment, met alles wat ik liefheb in mensen en natuur om me heen. Het is een fantastisch voorjaar en zomer geweest met veel stabiliteit en energie voor mijn doen. Ongelooflijk wat ik allemaal kon op een dag. Nu even niet meer, maar ik pas me aan.

Ik kijk uit op de tuin en voel een bescheiden trots dat mijn inspanningen qua tuin de afgelopen 20 jaar zijn vruchten afwerpt. Heb het heel erg met beleid gedaan. Dat er bloei is van januari tot december. Ken elke plant in de tuin en weet vaak de latijnse naam. Niet van allemaal hoor. Maar weet wel van elke plant of ze een hekel hebben aan kou en/of warmte. Daar handel ik naar. Al die insecten, al dat bloeien, die kleur en vogels als kado, het werkt écht met een beetje inspanning. Ik word er zelf heel gelukkig van, elke dag.

Nog een paar dagen en dan is het oktober. Ik voelde het al aankomen, zelfs toen de zon er nog volop was. De seizoenswisseling. Op een of andere manier lijkt mijn gemoed en gestel daar als een magneet op te reageren. Heb geen idee of het door het mindere licht etcetera komt, maar het gebeurt gewoon. Ondanks nog steeds zon ineens zoveel meer moe. De overgang van zo lang actief voor mijn doen naar moe en niets willen en kunnen, daar baal ik van. De dosering van de antidepressiva is inmiddels al verhoogd. Zou hoger moeten, maar een hogere dosering is zeer onwenselijk voor maag en darmen, gezien de berg aan medicatie die ik dagelijks al weg moet slikken.

Maar voor nu, hier achter in de tuin met een roseetje bestaat dat moe even niet omdat ik zelf besloten heb dat het even niet bestaat. Want ik ben heel goed geworden in dingen even opzij te zetten. Ben elke dag overprikkeld met een kapot brein en altijd doodmoe. Ik wens vaak stilte, maar er is altijd lawaai, elke dag. Ik heb 50% op een dag de Peltor cap op om geluiden te verzachten. Bij overprikkeling ga ik letterlijk overgeven. Al die kotsende wc-sessies, van die ongemakkelijke dingen die anderen liever niet weten. Misschien ook ongemakkelijk voor mijn gezin, maar ze zijn er aan gewend. Een mama en vrouw die af en toe kotst en dat ze nog steeds van je houden. Van die dingen. Ik weet niet hoe jij liefde ervaart, maar als naasten dat van je kunnen verdragen, dan heb je toch echt veel geluk met je naasten. Hier in huis zijn we inmiddels gewend aan het feit dat niets meer standaard is. Ik slaap meer dan de gemiddelde mens, maar vooral op tijden dat anderen actief zijn.

Het geluid van de zoemende bijen op de zonnebloemen naast me stoort me gek genoeg totaal niet. En op al die andere bloemen die nog steeds bloeien.

Achterin het veld hoor ik de schapen grazen. De meeste ooien zijn al gedekt door meneer de (geile) Bok, gezien hun blauwe achterwerk. Komende lente alweer in de maak, hoe mooi is dat. Herinnert mij eraan dat ik binnenkort tulpenbollen moet kopen en planten, want hier in de achtertuin was het na jaren karig gesteld met de tulpen, beetje uitgebloeid. Straks in april moet er tenslotte veel te genieten zijn na het kleurloze fenomeen winter.

Het is al heel lang dat van eindeloos buiten zitten. De zon heeft al maanden overuren gemaakt. Niet goed voor de natuur, heel goed voor mijn gemoed. Gelukkig heeft het inmiddels geregeld weer geregend. Fijn. Want ik houd enorm van mijn bloemetjes en als zij goed bloeien, bloei ik ook.

Ik nip aan de rosé en een golf van geluk overspoelt me. Ik besef en voel ineens zo dat niets mij blijer kan maken dan dit, dat van hier zitten, onder deze omstandigheden. Gewoon, dit moment. Alles wat wringt, schuurt, moeizaam is en pijn doet, het is allemaal even niet aanwezig nu. Ik verheug me op de quiche en straks na het eten slapen onder een vers gewassen dekbed. Ik kijk tevreden uit op alle bloemen in de tuin met nog steeds al die levendigheid in kleuren.

De zon verdwijnt achter het dak. Ineens heb ik het koud. Ik begin ineens heel moe te worden en net als ik dat besef komt het beest met de hamer die mij genadeloos op het hoofd slaat. Einde euforie. Snel eten nu, nu ik nog net happen door mijn keel kan krijgen alvorens uitgeteld mijn bed op te zoeken voor een paar uur.

We gaan eten en de quiche is inderdaad goed gelukt. Na het eten ververs ik moe tot op het bot het bed en val meteen in slaap onder de frisse lakens. Drie uur lang in een soort van coma. Ik merk het wanneer ik wakker word, hoe diep ik weg ben geweest. Ik begin de dag weer opnieuw om tien uur ’s avonds, het voelt als ochtend. Altijd een beetje misselijk bij wakker worden na zo’n soort van coma. Na anderhalf uur ebt dat weg. Ik slaap veel, moet daarna bijkomen en tussendoor doe ik dingen, zover de energie dat toelaat. Blijheid heeft geen invloed op moeheid, moe is er altijd. Maar blij moe zijn zorgt in ieder geval voor zorgeloos slapen. En goed slapen veroorzaakt meer blijheid.

Met bloemetjes, vogels, roseetjes en vers gewassen beddengoed.

Tering tyfus takketrut

Als je iemand de tering wenst, dan wens je iemand tuberculose toe. Als je zoals ik ook ooit bent begonnen aan een baan in de zorg, dan heb je vast ook een Mantoux-vaccinatie gehad. Dus iemand kan mij heus wel haten en mij de tering wensen, maar helaas, resistent. Alhoewel die vaccinatie wel lang geleden is, geen idee hoe lang zoiets werkt. In Nederland komt TBC relatief ‘weinig’ voor, jaarlijks rondom de 800 patiënten las ik. Wereldwijd zijn het rond de 8 miljoen mensen die besmet zijn met de tering.

Je kunt ook iemand de tyfus wensen. Maar welke versie bedoelen ze dan? Er zijn namelijk drie soorten tyfus. Vlektyfus, buiktyfus (Salmonella besmetting, heel veel dode baby’s) en paratyfus. Tyfus is wereldwijd nog net iets schrijnender in het aantal besmettingen. Het dubbele van de tering, ongeveer 16 miljoen mensen. Dat is bijna heel Nederland. Vooral in gebieden waar drinkwater in aanraking komt met rioolwater.

Geregeld wensen mensen anderen de tering én de tyfus samen. Hard werken hoor. Zonder behandeling sterven 10 tot 25 procent van alle tyfuspatiënten door complicaties. In het westen sterft minder dan 1 procent van de behandelde patiënten aan tyfus.

Tot zover de feiten. Voor de rest stoor ik me niet echt aan dit soort verwensingen en neem het al zeker niet serieus. Ik haat te weinig om iemand een ziekte te wensen. Ik vloek vaak zelf als een bouwvakker, maar voor de buitenwereld doe ik net alsof ik heel beschaafd ben.

Het elkaar ziektes toewensen in vloeken, dat schijnt dus typisch Nederlands te zijn. Tering, krijg de tyfus of de kolere. Buitenlanders schijnen zich hier nogal over te verbazen las ik, over deze Nederlandse eigenschap. Interessant wel, waarom doen ‘wij’ dat inderdaad? Elkaar de naarste ziektes toewensen en zelfs kanker als bijvoeglijk naamwoord of superlatief gebruiken.

Ciske de rat aka Danny de Munk sloeg trouwens het stadium van ziektes over. Ik dacht altijd dat kolere een afgeleide was van Cholera, maar dat is dus niet zo. Kolere komt van het Franse colère, woede. Voor zijn part mochten we allemaal gewoon meteen doodvallen. Oftewel, dat bedacht de tekstschrijver voor de film en het lied destijds. Best raar en tegenstrijdig eigenlijk, een eenzaam en woedend jochie die verlangt naar zachte armen om hem heen laten zingen dat ie iedereen woede wenst. Ik had destijds als veertienjarige trouwens een groot zwak voor dat brutale Amsterdamse kolereventje.

Buiten Nederland gebruiken de meeste landen en culturen meestal iets van seks, moeders, poep of God in hun vloeken bij frustratie en in hun pogingen om iemand te kwetsen. Vooral de combinatie moeders én seks vinden ze nogal vloekwaardig. Duitsers, engelstaligen en Fransen zijn nogal op het anale en poep gericht in hun vloekgedrag. Met Merde, shit, Arschloch und so weiter. Hier in Nederland is shit trouwens een uitdrukking die nogal gewoon geworden is en mild in vloeken. Zelfs mijn moeder zou het kunnen zeggen. Zoiets als “Jeetje”. En wie neemt wat de neuk, what the fuck nog serieus hier? Je stoot pijnlijk je teen en dan is het van fuck, auw, godverdomme, tering, jezus fucking kutchristus.

Het enige dat ons wereldwijd wél verbindt in vloektermen is het gebruik van geslachtsdelen. Kut en lul in ons taalgebruik, cunt, prick, dickhead. Er zijn weinig dagen waarop we het niet gebruiken. “Wat een lul, die lul van een *vul maar in*, lulhannes, oetlul. Maar iets wat tegen zit is kut. Kutzooi, kutweer en verder alles wat kut is, is kut. Een matige dag is een kutdag. Kut is nog kutteriger dan een lul. En dat is een lullige constatering. Je elleboog stoten? Kut. Maar nooit lul. Heb nog nooit iemand horen zeggen dat het een luldag was of dat iets ‘lul’ was. Iemand kan een lul zijn, maar een negatieve ervaring of moment is toch altijd kut. Examen verprutst? Kut zeg. Nooit lul zeg. Is er al iets gaande over geslachtsdeeldiscriminatie?

Motherfucker. Waarin wordt gerefereerd naar irritante of recalcitrante types. Geloof niet dat iemand dat hier in de lage landen serieus neemt of aanstootgevend vindt. Moederneuker. Dat klinkt in het Nederlands ook heus komisch. Dat is in onze letterlijke beleving vaak alleen van toepassing voor de desbetreffende vader/echtgenoot in kwestie die seks heeft met de moeder/echtgenoot in kwestie, of met een buitenechtelijke minnares met kinderen. Daar komt geen ziekte, god of poep aan te pas. Alhoewel dat laatste misschien wel voorkomt bij sommigen. Ik ben er niet van, maar ieder zijn shit. Seks met een moeder, bah. Beledigend? Niet echt. Jonge generaties vinden dat waarschijnlijk weerzinwekkend. 30+ en seks. “Ieuw”, hoor ik ze zeggen. Ik snap dat wel, had ik ook toen. Ik gun ze 40+ seks, maar daar komen ze over 20 jaar zelf wel achter.

Even terug naar het vloeken met ziektes. Persoonlijk vind ik alles waarin het woord kanker gebruikt wordt in vloeken en krachttermen heel naar. Het is een typisch Nederlands fenomeen inderdaad, elkaar ziektes toewensen. Tyfus en teringverwensingen zijn vaak onschuldig. Zonder enig idee van de berichtgever die geen idee heeft. Niet serieus te nemen. Ik las dat (vooral) onder de jeugd kanker ook gebruikt wordt als een soort van positieve superlatief. “Kankervet”. Iets van heel fijn of mooi. Ik snap de context wel en dat er geen kwaad aan te pas komt. Maar er zijn zoveel superlatieven om een gevoel kracht bij te zetten. Kanker gebruiken als iets positiefs? We zijn inderdaad misschien wel een beetje doorgeslagen in het gebruik van ziektes als taalvorm hier in Nederland.

Ik ben de laatste die truttigheid boven taalgebruik wenst, maar ik snap die buitenlanders wel, die zich hierover verbazen. Ik ben niet de enige die zich afvraagt waarom wij ziektes als scheldwoord en superlatieven gebruiken. Rondneuzend las ik hier het een en ander over. Ik vernam dat velerlei taaldeskundigen en sociologen zich dit ook afvroegen. Dit artikel vond ik goed en verklaart het een en ander. De moeite van het lezen waard.

https://www.vice.com/nl/article/43njww/waarom-schelden-we-in-nederland-zo-vaak-met-ziektes

Hier in Nederland wensen we elkaar de tyfus en de tering, noemen we iemand een kanker- of tyfushoer en wordt er door anti-Ajaxmensen “Joden aan het gas” geroepen. Normaal? Ik vind van niet. De vrijheid van een grote bek kunnen hebben, het is zowel een zegen als een vloek. Maar in Nederland kan het. Gelukkig. ik gun niemand met een grote bek gevangenisstraf toe, zoals in veel andere landen, maar wens de schuimbekkers vooral iets van minder frustratie en meer creativiteit in taal.

Jaren geleden zat ik met een paar Amsterdammers in een café en tering en tyfus kwamen veelvuldig voorbij in hun taalgebruik. Onschuldig en vooral heel grappig. Zelden zo gelachen. Ik houd enorm van de Twentse droge humor. Herman Finkers is een held. Maar heb ook een enorm zwak voor Amsterdamse humor, alsmede Rotterdamse humor. Dat gevatte, meteen iets pareren. Die snelheid van reageren met iets komisch, daar doen tukkers iets langer over. Er waren buitenlanders (Engelsen, Duitsers) bij in het gezelschap die avond, die geen idee hadden van tering dit en dat. Dat maakte het nog komischer, maar ook genant. Ik eindige broekpiesend onder een tafel, mascara droop van mijn kin. Dat van “Dit snapt niemand als niet-Nederlander”. Teringgrappig.

Nuances en aanvoelen wanneer iets onschuldig is of kwaadwillend. Lastig uit te leggen aan buitenlanders inderdaad. Misschien heel fout, maar ik vind onderstaand liedje van de Heideroosjes heel vermakelijk in de context van wat ik bedoel in bovenstaande.

Voor de rest wens ik iedereen alle goeds, behalve een ziekte toe.

Oorspinsels

Afgelopen vakantie was ik, zoals die dagen geregeld gingen, op het terras bij het huisje fijn weer verder aan het lezen met een van mijn boeken op de e-reader. Heb die e-reader trouwens afgelopen jaar in november voor mijn verjaardag gekregen. Nooit als wensding gehad. Ik was tot voor kort zo’n ouderwets persoon die altijd een stuk of 5 boeken meenam in de koffer. Ik vind het gevoel van een echt boek in de hand gewoon fijn.

Ik moet zeggen, het viel me reuze mee qua lezen en het is inderdaad verdomd handig tijdens het reizen. Minder handbagage en twee paar schoenen en drie truien extra mee. Die achteraf trouwens overbodig bleken. Ik had nu met een klein plat ding in de handbagage 127 boeken mee in plaats van 5. Die enorme keuze van kiezen voor intellectueel of makkelijk weg lezen, op vakantie kies ik vaak voor het laatste. En dan nog was er een ruim aanbod in die keuze. Ik lees snel, dus je swipet je te pletter op zo’n ding (vooral in de categorie makkelijk), maar daar kreeg ik wel routine in zonder ergenis. Bovendien kon ik ineens ook ’s avonds lezen, wat mij bij donker met een echt boek niet lukt.

Afijn, ik zat dus te lezen vlak naast een boom waarvan ik de naam niet weet, want alles daar op het Canarische is anders qua groen, bomen en beplanting ten opzichte van hier in Europa. Ineens gekriebel bij mijn rechteroor. Een vliegje, dacht ik. Met wuivende handbewegingen het beest wat weg proberen te waaien. Onnadenkend, want zo gaat dat als je in een verhaal zit.

Even later had ik het gevoel dat er iets in mijn oor zat. Gekriebel en ik hoorde zelfs een schrapend geluid van binnen. “Shit, dacht ik, ik heb dat vliegje dus in mijn oor geslagen in plaats van weggewuifd. En het leeft nog”. Onprettig gevoel, met een wattenstaafje steeds geprobeerd het eruit te halen. Geen succes. Veel op de kop naar rechts hangen met stotende armbewegingen hielpen ook niet.

Inmiddels ook Manlief ingeschakeld en die keek met een zaklampje in mijn oor. Die zag dat het geen vliegje was en riep “Jezus het is een spin, hij komt er nu uitkruipen, wacht”. “Ieeeeuw!!, riep ik geagiteerd, pak het!” “Stilzitten!” sommeerde Manlief die met een wattenstaafje probeerde de achtpotige te pakken en toen kroop ie ineens helemaal terug in de oorschelp.

Daar zat ik dan die hele middag, wetende dat ik een spin in het oor had. Hij kwam niet meer richting uitgang voor lange tijd. Soms was het even stil, maar dan begon dat schrapende geluid van binnen weer en dat gekriebel. Heb zo’n beetje een paar uur lang als een gebochelde Quasimodo met het hoofd op rechts naar beneden gehangen, wensend dat ik iets voelde van leven bij de ingang c.q. uitgang. Maar nee, het beest leek zich steeds dieper in het hoofd te nestelen. “Nog even en hij bereikt mijn hersens. Hoe zou hersengeschraap klinken?”, dacht ik. In dat gebied is toch al jaren het een ander gaande, dus waarom ook dit niet. Ik kijk nergens meer van op.

Ondertussen natuurlijk googlen als een gek voor oplossingen (zoekopdracht: spin in oor, hoe verwijder je spin uit oor, insect in oor etc.). Je komt van alles tegen dan, de gruwelijkste verhalen. Zo vernam ik onder andere dat Katie Melua dit ook is overkomen, maar dan een week lang. En zij moest gewoon optreden. Lees en huiver.

https://www.dailymail.co.uk/news/article-2817163/Katie-Melua-s-shock-finds-spider-lived-inside-ear-WEEK-Singer-bugged-scratching-noises-using-headphones-flight.html

Ooit een single uitgebracht met als titel ‘Spider’s Web’. Da’s dan wel weer geinig.

Voor mij gold alleen dat ik me even niet meer kon concentreren op lezen die dag. Op niets trouwens. De hele dag ben je je bewust van een levend iets in je lichaam. Vóel je een levend iets in je lijf.

Een tip was om (olijf)olie in het oor te schenken. Dus Manlief goot olie in mijn oor en daarna lag ik plat met desbetreffend oor naar de grond gericht. En verdomd, uit dat rechteroor kwam eindelijk na uren een nog steeds levende spin hangend aan een straal olijfolie naar buiten. Manlief trapte het meteen dood. Wat ik achteraf jammer vond, want nu weet ik nog steeds niet wat mij uren geteisterd heeft, hoe groot het uiteindelijk was en hoe het eruit zag. Door de olie naar buiten gedreven en te weinig grip om terug te kruipen. Maar Het. Was. Eruit. Godzijdank. Ik ben nog nooit zo aan een borrel toe geweest als toen. Heb nog een paar dagen een soort van fantoomgekriebel en geschraap ervaren.

Ik ben absoluut niet bang voor spinnen, nooit geweest. Zelfs niet voor grote. Jongste wel. Ik verwijder ze altijd zonder problemen in huis, levend en wel. Soms met de hand, soms met een glas. Maak nooit spinnen dood. Maar dat ze daadwerkelijk in je kunnen gaan zitten, dat hoeft nou ook weer niet. Komt ook zelden voor, las ik op Internet. Maar de uitzondering zijn is mij niet onbekend. Oudste: “Haha mam, echt iets voor jou”. Ik moet het er maar mee doen, die uitzonderingen. Tegenwoordig houd ik meer dan ooit van de gewone simpele, saaie dingen en alles. Gewoon de zon, een favoriete bloem die bloeit, dierbaren gelukkig zien, me goed voelen, rust, weinig gezeik en verder niets. Ik wil geen uitzonderingen, ik hoef niets te bewijzen, ik voel me prettig in de luwte van het leven, aan de oevers van de tijd, zonder gedoe.

Jongste wil het oorspinverhaal niet meer horen, mag er niet meer over vertellen. Ik hoop maar dat ieder die dit leest niet al te bang voor spinnen is. Ik ben eigenlijk voor weinig kruipende, vliegende, behaarde en gevederde dingen bang. Ik heb het alleen niet zo op ratten (vies en die staart, bah en bah), maar wat ik echt verschrikkelijk vind: maden. Daar gruwel ik echt van. Als er een made in mijn oor had gezeten was ik vermoedelijk opgenomen in een instelling vanwege shock en trauma. Na het oorspinsel-incident ben ik niet ineens bang voor spinnen geworden. Heb er inmiddels al weer vele gezien. De kans dat zo’n beest daadwerkelijk weer in mijn oor gaat zitten is relatief nog kleiner dan dat ik ooit de staatsloterij ga winnen.

Oh wacht, vorige maand wonnen we ineens 100 euro in de staatsloterij, na jaar in, jaar uit gewend te zijn aan een uitslag die altijd begon met ‘Helaas….et cetera’. Honderd Euro!

En zoals altijd, het kan altijd erger. Wat te denken van een mierennest in je hoofd? Lees over dit 12-jarige meisje en zo’n spinnetje in het oor stelt ineens niets meer voor.

Doktoren vinden mierennest in oren van meisje (12)

Maar goed, uiteindelijk ben ik wel een dag een echte Spiderwoman geweest. Stoerder gaat het denk ik niet meer worden in mijn leven.