J.

Vaak denk ik nog aan J. Wat eigenlijk opmerkelijk is, want J. was hooguit een kennis die ik kende vanwege de gezamenlijke basisschool (andere klas) en één jaar zelfde klas op de middelbare school. Ze was ook geen vriendin. Ik had de mijne, zij de hare. Gewoon iemand die je kent. J. was een sympathieke meid, vriendelijk en bescheiden. Altijd blosjes op de wangen. Ondanks dat ik haar niet goed kende, vermoed ik dat zij het type was die je probleemloos iets kon toevertrouwen. Dat weet ik natuurlijk niet zeker, maar acht de kans groot. Geen poespas, weinig opvallend.

Ik herinner mij die keer dat we met die gezamenlijke klas een klasse-uitje hadden. Iets met kanoën in Lochem. Kan me weinig van die dag herinneren. Wel weet ik dat J. en ik samen terug fietsten van Lochem naar Goor, mijn toenmalige woonplaats, via Diepenheim. Op die route werden we onaangenaam verrast door een geblindeerde auto die langzaam naast ons ging rijden, waarvan het raam naar beneden ging en de bestuurder zichtbaar werd. Hij riep wat vunzige dingen naar ons en het was meteen duidelijk dat meneer zich voor de gelegenheid nogal schaars gekleed had. Een iets te klein geruit bloesje, maar verder ook niks, broek-technisch gesproken. Achteraf heb ik mij wel eens afgevraagd waar die broek was, maar concludeerde al gauw dat ie ergens in de auto moest zijn, want ik denk niet dat ie op die manier z’n voordeur is uitgelopen die dag.

Het raampje ging langzaam weer omhoog en meneer piemelmans reed verder, J. achterlatend in shock en mij met de slappe lach. Zoals ik zei, J. was het type geen poespas, rode wangen. Haar hele hoofd was inmiddels rood. Eigenlijk was ze wel een beetje een Henrieke, van “Boer zoekt vrouw”. Dat bedoel ik niet badinerend, juist met een zwak voor sympathieke no-nonsense tiepetjes met een lach en een blos. Als puberke vond ik het een leuk avontuur. We gaan naar de politie!, zei ik, met een vleug enthousiasme. J. vond dat gênant. Ik doe het woord wel, stelde ik haar gerust en zo belandden we die dag dus op het groteske Diepenheimse politiebureau, dat toen nog bestond in de jaren tachtig. Ik vertelde oom agent over de halfblote man in de auto en herhaalde wat hij tegen ons geroepen had. J. kroop bijna onder de stoel bij mijn letterlijke verklaringen en de agent vroeg ons mee te gaan in de politieauto om te kijken of we piemelmans konden opsporen. Kansloos natuurlijk. Ik had nog nooit in een politieauto gezeten, vond ik leuk. Poosje rondgereden met de Diepenheimse Vledder. We wisten trouwens niet eens een kenteken of automerk te noemen. Daar lette ik toen al niet op en nu nog steeds niet. J. evenmin dus. Een “beige auto”, dat was het. Natuurlijk niet meer gezien. Ik hoopte nog even op de inzet van een helicopter, maar helaas.

Dat is een herinnering wat J. betreft. De laatste herinnering aan haar is dat we toevallig samen bij de Etos waren – twee á drie jaar geleden. Op dezelfde vierkante meter in zo’n winkel, zoekende naar een poedertje. Na het gebruikelijke Hoe is het met je? beland je met bekenden uit het verleden al gauw tot het detail van het moment. Ik ben niet zo goed in poedertjes. Ik ben sowieso niet zo goed met make-up. Maar J. hield een doosje omhoog en vertelde dat dat het product was waar ze bij zweerde. Ik geloofde haar meteen. Iedereen had het kunnen zeggen, maar als iemand als J. het zegt, dan volg je dat. Omdat het geen poespas is, misschien om de rode wangen, de oprechtheid, zoiets. Samen rekenden we onze twee dezelfde poederdoosjes af. Tot op de dag van vandaag heb ik nooit meer iets anders gekocht. Ze had gelijk. Ik ben geen dagelijkse gebruiker, maar als ik het koop of gebruik dan is het dat. Die van J.

Een paar maanden nadat wij elkaar troffen bij de Etos is ze overleden. Aan kanker. Drie of vier kinderen achterlatend, ik weet het niet eens. Heel naar. Ik weet zo weinig van J. Wat ons verbindt behelst een jaar samen in een klas, een vieze man en een poederdoos. De lulligheden van het leven. Het doosje maakt dat ik nooit zal stoppen aan haar te denken. Elke keer als ik dat pak. Er zijn mensen in mijn leven die er inmiddels niet meer zijn waar ik geregeld aan denk, omdat je ze mist. Die ik goed kende. J. staat voor al die mensen die er niet meer zijn en die ik niet zo goed kende, maar die toch af en toe in je hoofd voorbij komen. Een sympathieke vrouw, met blozende wangen. Ik weet eigenlijk niemand in mijn omgeving te noemen die haar goed kende en waaraan ik iets zou kunnen vragen over haar. Over haar kinderen bijvoorbeeld en hoe het nu met ze gaat. Soms zie ik haar moeder in de supermarkt. En dan zou ik dat wel willen vragen. Of vertellen over ons gezamenlijke avontuur destijds. Maar heb dat tot nu toe nooit gedurfd. Omdat ik haar verder niet ken en zij mij niet.

Eén gedachte over “J.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s