MonSter & co. (1)

newhaven-lighthouse-wave

Ik ga het er toch even over hebben, het voor uw allen en mijzelf ietwat uitgekauwde onderwerp, geheten MS.

Wat kan ik zeggen? Er niet over hebben is psychisch al gauw te betitelen als ontkenning. Er wel over hebben neigt wellicht naar aandachtzoekerij. Ik vraag me af of ik die middenweg ooit zal vinden. Komt bij dat middenweg misschien niet zo bij me past. Zwart of wit. River deep, Mountain high. Zoiets. En enigszins allergisch geworden voor het begrip balans. Klinkt zo dodelijk saai, in balans zijn. In balans zijn dook ineens overal op, ongeveer gelijktijdig met de constatering dat probleem ineens in uitdaging veranderde.

Ik ga het erover hebben – Em Es, want het monstertje is nu eenmaal in mijn leven geslopen. En net als kinderen, hypotheek, werk en vakanties: het gaat bij je horen en vormt je. Na de eerste schok tien jaar terug, heb ik relatief een gezegende periode gehad. En nog. Ik loop nog, zie nog, in feite kan ik alles. En daar zit hem de kneep. Ik denk en wil dat ik alles kan. Feitelijk gezien is dat niet zo, maar mentaal en relatief gezien wel. Want ik vergelijk mezelf niet met een marathonloper, wel met MS’ers die niet kunnen lopen, eten of zien. Of met vluchtelingen. Of kankerpatiënten. De frictie zit in het feit dat ‘het altijd erger kan’. Het veroorzaakt mijn eeuwige grens overschrijden. En zelfs nu, weet ik niet of dat te maken heeft met mijn denken c.q. karakter, of met ontkenning. Steek je hand op indien je het antwoord weet.

Die bewuste zaterdag eind januari 2001 zat ik bij de kapper. Was mistig buiten en die avond ervoor in het café afgezakt, als afsluiting van een plaatselijk volleybal-toernooi. Dat beetje wazige zien was al gauw verklaard, toen ik in de Story ineens niet goed kon lezen of die het met die deed. Dat vuiltje in het oog werd paniekerig afgedaan bij de desbetreffende opticien die mij sommeerde z.s.m.(!) naar één of andere arts te gaan. Lekker handig in het weekend. Desalniettemin ben ik wazig kijkend in de mist teruggereden, toen nog denkende dat één of andere monsterlijke tumor zich achter mijn oog had genesteld.

Om een lang verhaal kort te maken; geen tumor, wel MS. Het terminale was eraf, dus enige opluchting was wel op z’n plaats. Maar hang on? MS = rolstoel, dacht ik, wist ik veel, dus wtf? Dat gaat gewoon niet gebeuren, want dat kan niet, weet ik nog dat ik dacht. Mijn jongste dochter was destijds 8 maanden en zat al kirrend in de box toen ik thuiskwam. Ok rolstoel ooit, maar nu nog niet, schoot door mij heen. Even wachten tot de dames zichzelf kunnen aankleden graag. Dank u. Multiple Sclerosis? Zo raar. Net als geen enkele ziekte bij geen enkel persoon past, was MS wel het laatste wat bij mij paste, vond ik. Vermoeidheid, rusten, slaapjes. Pff. Alhoewel…

In 1996 hebben we onze eerste heerlijke meid verwelkomt. Een schat, maar een huilertje. Na 3 weken op aarde non-stop van 11 uur ’s avonds tot 5 uur ’s morgens. Paar maanden lang. ’s Nachts lopend met draagzak, soms met baby voor buik even naar wastafel lopen, letterlijk kotsend van vermoeidheid en dan gezellig de volgende dag weer beschuit met muisjes smeren. Of het nou postnatale depressie is geweest of oververmoeidheid, whatever. In die tijd heb ik voor het eerst ervaren hoe het voelt om depressief te zijn. Niks geen blues of dipje, gewoon mentaal zo ziek. Dat je niet meer iets voelt. Het is het meest angstaanjagende wat me ooit is overkomen. Geen gevoel. Een zombie. Het zweven boven jezelf. Een uur in de supermarkt lopen en dat er dan nog steeds niets in je karretje ligt. Geen keuzes. Geen begin. Geen einde. Geen enkel idee hoe of wat. Het complete niks en zwart. Niet lachen, niet huilen. Geen mens zijn.

Het was toen, dat ik voor het eerst in mijn leven een doodswens voelde. Heel sterk. Ik kon mij voorheen nooit voorstellen wat er omging in suïcidale mensen. Hoe kun je dat doen? En nu? Ik zie mezelf rijdend in de auto met baby achterin, op weg naar mijn ouders, waar ik van plan was in bad te gaan met babylief. Ik neem de bocht, ik zie de muur. En ik wilde niks liever dan vol in die muur rijden. Van alles af zijn. Verlost van de pijn. Het niet-zijn. Het niets zijn. Dat iedereen verlost is van zo’n waardeloos figuur als ik. De Muur. Ze riep me. Ergens was er blijkbaar een stemmetje die mij ervan weerhield. En dat was vooral gericht op mijn moeder. Ik kon haar simpelweg niet aandoen om nog zo’n verlies te lijden. Ik geloof dat het dat was. Mijn moeder. In die bocht ben ik in fracties van secondes afgeslagen en heb bij het aangelegen tankstation sigaretten gekocht. Terwijl ik al maanden gestopt was met roken. Denkende aan dat moment, stromen nu ineens weer de tranen over mijn wangen. Er is geen enkel moment in mijn leven geweest dat ik zoiets heftigs ooit weer heb meegemaakt. Depressie is in mijn optiek de ergste vorm van ziek zijn. Het is elke vezel van je lichaam. Ik kan er niet eens goed over praten. Nu nog niet.

To be continued…

Eén gedachte over “MonSter & co. (1)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s