Dit zijn ze dan. Mijn helden. Een kleine selectie van al die helden. Mensen die hun energie en kostbare uren des levens besteden aan onderzoek en alles willen weten van het monster en waar ‘m de kneep zit. Enthousiaste, gedreven, gezonde – veelal jonge – mensen die hele dagen hun focus op dat kreng hebben. Het raakt me, ze te zien. En hun namen te weten. Dit zijn ze dus. Mijn helden hebben een gezicht. Ik zou ze zomaar tegen kunnen komen. Het is een nichtje, een buurman of een vriendin. Iris, Gijs, Charlotte of Daniëlle heten ze. Niet Barack of Nelson. Ik zou ze wel willen omarmen, een knuffel willen geven. Wisten ze dat maar. De kans is klein dat ik ze ooit tegenkom. Zij en ik. We weten niets van elkaar en toch zijn we zo met elkaar verbonden. Mensen die ik helemaal niet ken en die zo enorm belangrijk voor mij zijn. En voor de generatie na mij, dat vooral. Daar zijn zij hele dagen mee bezig, het willen weten. Niet bewust van enige vorm van heldendom. Maar ik wel. En mijn dank is groot.
Wa wollie
Heel leuk, van die schapen in de achtertuin, maar inmiddels heb je er een dagtaak aan. Zelf vandaag al twee keer geweest en manlief net voor de vierde of vijfde keer en hij is nog niet thuis of het is al weer mis. De kop steken ze wel vooruit, maar het ontbreekt schapen aan een achteruitfunctie. Deze en vorige week al twee maal draad kapot moeten knippen.
Lekker hoog gras aan de andere kant en hup daar gaan ze weer. Het zijn wel schatten hoor, maar een beetje dom. Inmiddels ook een beetje flauw van. Je hoort het meteen, dat geblaat. Tenminste, ik hoor dat wel. Ze blaten niet zomaar. Ik snap ook niet dat die mensen die op dat veld uitkijken dat niet zien en horen, alsmede alle andere buren in onze rij. Niemand die het opmerkt, zelfs niet als ze buiten zitten. Typisch. Gisteren zag ik wél een oplettende voorbijganger in het veld lopen, die ook even een bos wol hielp. We hebben inmiddels maar even gebeld, morgen komt ‘De Herder’ kijken. Hopelijk de hele wollige mikmak naar een ander stuk in het weiland.
Kunnen wij ook weer rustig achter thuis zitten. Ik hoor er trouwens weer een…. Zucht.
Trots
Het woord “trots” vind ik een lastige. Het woord zal in mijn schrijfsels wel eens voorgekomen zijn, maar ik vermoed niet zo vaak. Eerder zal ik ‘blij mee zijn’ of iets in die trant hebben gebruikt (ga dat natuurlijk nakijken en als ik meer dan vijf keer trots heb gebruikt, laat ik het weten). Wat mijzelf betreft zou ik echt niet zo gauw iets kunnen noemen waarop ik trots zou kunnen zijn. Gelukkig kun je ook trots zijn op anderen. Tenminste, ik zie dat vaak. Dat mensen trots zijn op iemand anders. Trots heeft indirect altijd weer met jezelf te maken, ongeacht de context. Je kunt bijvoorbeeld trots zijn op de prestaties van jouw kind, vriend, oom, nationale zangeres of plaatselijke worstmaker, omdat er een bepaalde verbintenis is tussen jou en hen. Jóuw kind, of een winnende worstmaker uit jóuw dorp. Zodoende is trots dus meestal overgoten met een persoonlijk sausje. Daar is niks mis mee en wellicht begrijpelijk, vanuit het oogpunt ‘verbintenis’. En iemand kan het ten aanzien van een ander als compliment gebruiken, wat fijn is natuurlijk. Ik weet eigenlijk niet zo goed waarom ik moeite heb met het woord trots. Het is ook wel een raar woord, als je het een paar keer zegt en het geschreven ziet staan. Het klinkt een beetje pauwerig, tikkie brallerig, zo voldaan ook. Een beetje gene voel je ergens toch wel. Heb ik dan. Ik probeer even te bedenken welke levensmomenten in mijn opkomen die mij met trots vervulden (alleen dat al, dat ‘vervullen’ erbij). Ik neig naar iets met mijn kinderen. Over hoe zij iets opgelost of bedacht hebben, met bepaalde moeilijkheden om zijn gegaan. Het zwemdiploma misschien? Vond dat nogal een geploeter. Hele kleine doortastende mensjes, met hele kleine armen en benen in dat veel te grote zwembad en door dat meterslange gat in het diepe. Dat was knap ja, zo’n diploma. Blij ook, vooral voor die beide kleine mensjes destijds en zeker voor mezelf (daar zijn we af, pfff). Maar trots? Ik was niet diegene die uiteindelijk heeft gezwommen. Ten tijde van de Olympische Spelen zag ik mensen schrijven: “Trots op Epke!” Dat is opmerkelijk, want er is er maar één die daar jarenlang zo hard voor getraind had en dat was Epke zelf. Prachtig vond ik dat moment trouwens en heel erg gegund. En daar kun je blij van worden, zoals velen van ons dat hadden. Epke kon oprecht trots op zichzelf zijn. Maar dat ík daar trots op zou zijn is raar, omdat het enige wat Epke en mij verbindt hetzelfde land is waarin we wonen. Het helpt ook niet echt in de associatie dat ene Rita ooit een politieke partij oprichtte met iets met trots erin en dat als je het woord achterstevoren leest er stort staat en strot als anagram (ja van die tic wil ik ook wel eens af, die van anagrammen maken en woorden achterstevoren lezen. Nezel nerovetsrethca nedroow).
Je kunt ook trots zijn op bezittingen denk ik. Een postzegelverzamelaar die bijvoorbeeld na vijfentwintig jaar eindelijk die zegel uit Djibouti heeft weten te bemachtigen. Of iemand die David Bowie een hele goede zanger vindt (drie maal raden wie), die ooit een kalender won met daarop de authentieke handtekeningen van David Bowie zelf en Mick Rock (De fotograaf. Ja die. Ik zal jullie de details besparen. Geen dank). Maar die kalender, die hebben er ook wel meer. Dus. Ik ben er wel heel blij mee, dat wel. Maar trots is ook al zo wat.
Is trots soms wellicht een beetje makkelijk? Op de bagagedrager zitten en zelf niet fietsen. Meeliften op andermans succes. Zou ik het een lastig begrip vinden, omdat je eerst hebt moeten ervaren hoe het is om enige vorm van trots ten aanzien van iets van jezelf te hebben gehad alvorens trots te kunnen zijn op iets of iemand anders? Ten opzichte van mijn medemens voel ik vooral veel nederigheid. Ten aanzien van alles wat een ander wel weet, kan, durft, onderneemt, heeft gezien en doet. Al die creativiteit. Zelfvertrouwen. En al die energie. Vooral dat laatste, daar ben ik soms stiekem een klein beetje jaloers op. Dat je trots kunt zijn op jezelf. Niet op een ander, gewoon op jezelf. Eén ding zou al leuk zijn.
Ik heb nog een hoop te leren. En leren te begrijpen. En misschien leren iets meer van mezelf te houden.
Blij grijs
Dat was toen en het is nu anders. Vandaag is wel duidelijk, gisteren is al voorbij en morgen is nog een verrassing. Een enkele keer – meerdere keren eigenlijk – wilde ik die Vandaag vastleggen en deed dat dan ook. Met zo’n mobieltje, als ik die al bij me had. En ik moet zeggen, ik ben blij dat ik ten tijde van bovenstaand moment er één bij me had en het blije grijs tussen het mooie groen heb vastgelegd. Omdat het een mooi moment was van die Vandaag.
Dat was toen en het is nu anders. Het mooie groen is nu bebouwd. Dat stukje ‘linksaf’ heeft nu aangelegde paadjes. De ‘toverboom’, aan de linkerkant van dit stuk gras toen, waarin we een reservebal hadden verstopt als die ene verdwenen was onder het groen als het zo hoog was als op bovenstaande foto. En als bal nummer 1 kwijt was, dat mevrouw Grijs dan onmiddellijk voor die toverboom (simpele knotwilg) ging staan – met dat ene pootje omhoog – precies wetende dat het die boom was, tussen al die anderen. Die boom is er niet meer. Rechts plukten we bramen elk jaar, meisjes vonden dit leuk. En aan de rechterkant stonden vaak Bertha en Gerda voor een chat.
Daar gingen we wel eens een stukje mee rennen, Moob en ik. Grote muis was nogal bang voor koeien sinds haar eerste kennismaking met Melkunie gepaard ging met schrikdraad. Dat gaat nooit meer over zo’n herinnering, hoe vaak ik ze daarna ook geaaid heb. Dus rennen ja. Koeien rennen vaak mee met een hond. Vinden ze leuk. Deed ik ook mee, was geinig. Of even zitten in het zonnetje, muziekje erbij. D’r kwam toch amper iemand. Met die paadjes nu is dat anders. De meesten willen hun schoenen niet vies, dus paadjes zijn drukker. Mijn hondenwandelschoeisel moest zo zijn dat ik er nooit rekening mee hoefde te houden. Want je moet er ook hele natte weilanden mee in kunnen en redelijk wat blubber trotseren in Nederland. En vooral daar kunnen komen waar mensen die geen vieze schoenen willen niet komen. Ik heb het wel eens ‘mijn heilige grond’ genoemd, dit hierboven. En in de verte, daar boven de bomen, daar heb ik de zon heel vaak zien ondergaan. Mooie Vandagen.
In het verlengde van dit veld heeft de gemeente echt z’n best gedaan een soort van natuurlijk doorsteekje te creëren. Met een watertje enzo. Dat zal nog wel even duren voordat dat een natuurlijk gevoel gaat geven, nu voelt het vooral nog erg aangelegd. Het leeft nog niet. Natuur is misschien pas echt mooi na zo’n 50 jaar, dat zal ik dus niet meer meemaken. Dat je gewoon door de brandnetels en boterbloemen moet, zo hoort dat. Het is wel een handig paadje naar het achtergelegen bos in de verte, dat wel weer een erg prettige plek is en waar de muis en ik in al die jaren ook vele kilometers hebben gemaakt samen. Evenals heel veel andere plekken en bossen in de omgeving, die mij zeer dierbaar zijn geworden, waarvan ik soms elke boom ken, weet waar ik wanneer moet zijn als ik zon wil of juist schaduw. Ik zou wel honderden foto’s kunnen laten zien. Van al die plekken, alle mooie Vandagen met de muis.
Dat was toen en het is nu anders. Zo gaat dat en zo hoort het misschien ook. Soms komt iets of iemand op het juiste moment in je leven. Wat in mijn geval vooral heel erg klopt wat de grote muis betreft. Die samenloop van omstandigheden zijn uniek en komen niet weer. Die momenten bij de lurven pakken, genieten van elk moment (en geloof me, dat heb ik gedaan), loslaten en doorgaan. C’est la vie. En leren van en teren op al het moois waar je je gelukkig heel bewust van was. Al die vandagen. Omdat je onbewust weet dat dat over gaat. Of misschien ben ik me wel iets te bewust dat iets hebben en houden niet zo vanzelfsprekend is. Ze had voor mij nog wel iets langer mogen blijven, mijn grijze vriendin. Zeven jaar is niet zo lang. Soms denk ik dat wij samen zo genoten hebben van al die momenten, dat die zeven jaren wel eens gelijk zouden kunnen staan aan twintig jaar. En misschien is een kort en intens samenzijn wel beter dan lang en vanzelfsprekend samen zijn. Dat je de dingen wel hebt gezien, maar nooit echt hebt gekeken. En daar ben ik mijn Moby dankbaar voor, voor dat kijken. Daar heb ik haar voor nodig gehad, toen. Ze is er nu al een jaar niet meer. Het doet niet meer zo’n pijn hoor, dat gaat wel over die scherpe pijn. Ik weet nu dat het zinvol is geweest dat zij er ooit was al die jaren. Zoals je ooit hebt leren fietsen, zo verleer je het kijken nooit meer. Het zijn soms van die momenten, niet eens meer met verdriet, maar met mooie herinneringen aan al die simpele vandaag-momenten die we samen hadden. Want eerlijk is eerlijk, ze was net zo’n groot oud wijf als ik. En waar ik was, was de muis. Ook met koffiedrinken. Ook in een stoel.
Er zijn veel momenten waarop ik haar mis. Ik ben inmiddels zo ver dat ik kan grijnzen om die herinneringen. Heel af en toe pink ik nog een traantje weg. Het is vooral nu, als je zelf even wat op een zijspoor staat, dat ik haar even nodig heb. Een best al lang zijspoortje. Voor dat relativeren. Het energieniveau is momenteel niet zo bien en soms is ‘het’ ingewikkeld. Daar laat ik het even bij in de uitleg. Voor de buitenwereld gewoon gaan. Ik mis haar nu, voor bepaalde persoonlijke redenen die ik lastig te bespreken vind met mensen nu.
Moby blijft altijd dichtbij. Letterlijk en figuurlijk. Dit hieronder vinden sommigen een beetje naar en ongemakkelijk (ook in het echt, weet ik), maar ik niet. Een kerkhof vind ik ongemakkelijker, omdat ik denk dat zielen daar echt niet zijn. Wel in je hart en gedachten, of ergens dichtbij waar ze ooit waren. Ik kan er weken niet naar omkijken, maar soms op een dag sta ik er zomaar even. Kijken of het Vergeetmenietje de ruimte krijgt. En dan zie ik de bal en de stokken waar ze/we samen zoveel plezier mee hadden. En dan zeg en denk ik in gedachten: Hé Moob, alles oké daarboven? Ik weet dat jij niet zo van de warmte was, maar vrouwtje wel. Weet je toch? Regel dat eens even!”
Zeven jaar met het lieve grijze monster hadden ook zeven jaar in mijn leven zonder zo’n fluwelen kado kunnen zijn. Maar gelukkig is ze er geweest, op het juiste moment. Ik kan dat niet meer dan koesteren. And that is that.
Jongste
Als je ooit voor het eerst moeder wordt en dat al een tijdje bent, kun je je bijna niet voorstellen dat je net zoveel kunt houden van een ander kind. Dat wat je voelt voor die eerste, daarvan denk je dat dat nooit meer geëvenaard kan worden. Het besluit dat je samen neemt voor ‘een tweede’ is zo compleet anders dan die keuze voor ’een kind’ destijds. Vanaf dan heeft het begrip ‘verantwoordelijkheid’ ineens handen en voeten. En draagt het een luier. De keuze voor ‘een tweede’ ging niet helemaal vanzelf. De wens was er wel, maar daadkracht nog niet. Gynaecoloog was erbij betrokken, bij dat besluit. Een preventief netwerk van hulp zou klaar staan. Een eerdere huilbabyervaring hakt er nogal in. Vandaar. De Seroxat zou klaar liggen. Heel lang bijna niet slapen en een PND is geen aanradertje. En een eventuele bevalling zou nooit meer onnodig lang duren als die eerste, beloofde hij. Plus de belofte dat hij de bevalling zelf zou begeleiden. Met die wetenschap en dat vangnet durfde ik het aan. En wat ben ik blij dat ik dat ‘gewoon’ heb gedurfd.
Wat ‘die eerste’ betreft, dat je zoveel van iemand kunt houden is bijzonder. Vanaf het eerste begin, ondanks zo’n moeizame start. Dat je misschien nooit slaapt, maar dat je zo erg lief hebt dat liefhebben wint. En medelijden met dat weerloze ongelukkige minimens. Die zich na een paar jaar ontpopte tot één van de makkelijkste kinderen die je je kunt wensen. En nu inmiddels zestien, nog steeds. Ik wil hierbij ook even een lans breken voor alle makkelijke pubers. Ze bestaan weet ik. Nou ja, afgezien van ‘de kamer’ en van die dingen. Gek op slapen dus, wie had dat ooit kunnen denken? Ik kan mij een ‘ruzie’ met haar niet eens herinneren, dat moet echt jaren geleden zijn.
Drieënhalf jaar na Oudste werd Jongste geboren. Twee weken te vroeg, want van de placenta bleek inmiddels weinig meer over. Alles opgegeten. Dat is met de wetenschap van nu een geinig feit, gezien haar focus op alles wat eetbaar is. Een heel klein popje was het, net 3 kilo. En meteen datzelfde gevoel als bij de eerste. Onvoorwaardelijk. Een klein tevreden aapje die je bijna zonder handen kon meedragen tussen kin en schouder, net alsof ze zich daar natuurlijk in vastklemde. Heel tevreden. Heel snel al de eerste lach. En altijd honger. Dus al binnen een paar weken in de Michelin-fase. ‘s Nachts ook nog lang twee of drie keer wakker (want honger dus) en dan ging er melk in en was het goed. En iedereen weer slapen. Gewoon slapen. Wat ben ik blij ook zo’n babyervaring te hebben meegemaakt. Huilen – weten waarom – oplossen – duidelijk – klaar – slapen. Als er iets vanzelfsprekend was bij Jongste, was het wel slapen. En laat dat nu toevallig de laatste jaren iets zijn wat nogal ‘een thema’ is, dat ‘slapen’. Nu nog. Het kan soms onverwacht vreemd lopen in een kort mensenleven. En alle eigenschappen van jouw kinderen die zich in jouw hoofd al gevormd hebben na die beginjaren, kunnen dus zomaar compleet veranderen.
Deze week is Jongste dertien geworden. Verre van baby, geen fragiel popje meer. Nog steeds altijd ‘honger’ en alleen het hoofd past nog tussen kin en schouder. Dat vroege lachen is een rode draad. De clown van de familie, gekkigheid. Inmiddels weet ik dat daar een ladinkje onzekerheid achter zit, maar toch. Het scheelt dat ze vooral heel erg haar eigen willetje heeft. Een eigen waarheid van zwart en wit (lees: eigenwijs), maar ook iemand die lief en zorgzaam uit de hoek kan komen. Dertien dus. De laatste maanden echt veranderd. Het valt ineens op. Volgens het cliché zit ze werkelijk tussen dat tafellaken en servet. Moeder Natuur en de buitenwereld dwingen dat af. Maar gekke fratsen zijn niet zo makkelijk uit te bannen. Gelukkig maar. En onzekerheid over eigenheid die ooit omgezet gaat worden worden in persoonlijkheid. Dat duurt nog wel een jaartje of dertig. Als je dertien bent sta je zelf vooral in jouw eigen middelpunt. Zoals ooit dat middelpunt de schouderbeenholte van je vader of moeder was.
Voetsel
- Als kind was ik gezegend met een beenlengteverschil en heb – tot mijn grote afgrijzen – een tijd met een verhoging onder mijn schoen moeten lopen. Een blok aan mijn been. Ik was (helaas, dacht ik toen nog) nooit ziek. In tegenstelling tot mijn broer die in mijn ogen altijd griep had. En ik was slecht in liegen, dus kwam er niet veel terecht van mijn pogingen tot schoolverzuim in die periode. Bovendien werd het voetenwerk in het algemeen nogal serieus genomen bij mij thuis en bezocht ik maar één schoenwinkel: Spoor in de Kerkstraat. Want deskundig. Piedro-schoenen, uit dat genre kon ik kiezen. Dat was in de jaren zeventig het type bowlingschoen, maar dan nóg lelijker. Het was nog geluk hebben als je van de Vijftig Tinten Bruin de minst diarreekleurige bruin kon kiezen. Je kan wel spreken van een Piedrotrauma. Toen ik eenmaal mans en vrouws genoeg was – zo tegen het eind van de basisschool – ben ik mij pertinent gaan verzetten tegen alles wat ik niet meer duldde aan mijn voeten. Ik vermoed zelfs met twee van die pontificale armpjes over elkaar geslagen en dan zeggen: “Ik doe het niet meer!” Theme of my life. Jaren te meegaand, gezagsgetrouw en loyaal en ineens barst de bom en niets of niemand kan mij dan nog van mening doen veranderen. Vanaf toen werd het Adidas. Wit zwarte of zwart witte Adidasgympen. Het ene paar verving het andere. Ik zweerde bij de drie strepen. Mijn moeder vond dat alle inspanningen voor niks waren geweest, zei ze ooit. Ooit pasten één van mijn kinderen per ongeluk een Pjeedroschoen. Ik zag het net op tijd….
- En dan hebben we het gegeven Mannen in Uggs. Die combinatie bestaat. Echt waar. Ik heb gelukkig ooit mogen ervaren dat ik zelf een keuze had, dat ik Piedro, Birkenstocks en Crocs uit mijn leven kon laten en dat lelijke schoenen niet per sé hoeven. Dat was een bevrijding. En dat je als vrouw (vaker meisjes, toch?) in Uggs loopt, dat snap ik. Ik heb ze niet, maar ik denk wel dat dat fijn loopt. Voor een pantoffel vind ik ze persoonlijk nogal aan de prijzige kant. Maar mannen in Uggs? Dat staat gelijk aan dat ik een behoorlijke snor zou laten staan, als dat al kon. Welke fabrikant heeft ooit bedacht dat er een herenversie van Uggs moet komen? Iemand dus. Een sadist uit de Piedro-tak vermoed ik. Save Our Souls.
- Nog een podo-itempje: voetvissen. Nooit gedaan, maar wil dit graag eens ondergaan. Iemand ervaring mee? Is het hygiënisch genoeg? Wordt dat water ververst na elk paar voeten dat beknabbeld is? (vast niet). Dat die visjes bijvoorbeeld eerst van een paar kalknagels, zwemmerseczeem, voetwratten en scheerwondkorsten hebben gesmuld en daarna kom jij dus. Die rijkelijke maaltijden zorgen ongetwijfeld ook voor veel poep. In dat kleine voetenbad. Zouden die visjes dat zelf opeten? Het lijkt me wel heerlijk, dat wel. Niet de poep, maar dat geknabbel bedoel ik. Oudste en ik hebben besloten dit binnenkort te doen. Jongste durft niet, maar wil absoluut mee en gaat waarschijnlijk alles filmen en heel vaak ‘Eeeew’, ‘Hahahaha’ en ‘Hihihihi’ roepen van een afstand. De heldin.
- Bekentenis: voor het tuinwerk heb ik van die klompen – Strövels. Heel erg, weet ik. Ze zitten ook voor geen meter. Maar ik heb inmiddels vijfendertig paar plastic klompkes versleten en daar had ik geen zin meer in. En wilde ook wel eens de lokale agri-zaak tegemoet komen. Grappig feitje: toen mijn moeder die klompen zag zei ze: “Loop jij DAAR op? Daar liepen opoe Stokkum en oma Aaltje vroeger ook op, dat die nog verkocht worden!” Oké. 1-1 in het Piedro versus Strövels kamp ;p
Feet your sole. Doei.
Nu
Twee weken schoolvakantie bijna ten einde. Vanaf nu nog een beetje van dat hapsnapwerk en in een poep en een scheet is het zomer. Lente komt dit jaar als een oud dieseltje op gang en me realiserend dat we ons inmiddels al in mei bevinden maakt dat ik de klok nu even heel erg stil wil zetten. Mei, de maand waar ik over fantaseer in november en februari. En op al die koude dagen met een energiepeil van een halfdode vis met een haakje in de bovenlip die steeds terug geworpen wordt in het water. Gewoon doorzwemmen en niet focussen op die lip-piercing. Mei is mijn pakjesavond en verjaardag van een vijfjarige. Dan lig ik voor de derde keer op een koude winterdag boven en denk dan maar: “Het wordt altijd weer mei elk jaar”. En als ik nu buiten ben, weet ik weer waarom. Om over de 80% meer energie niet te spreken. Daar kan geen regenbuitje wat aan veranderen. Van alle maanden en bijbehorende schoolvakanties blijf ik in mei het liefst thuis, in Nederland. Elke dag nieuw licht, nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuwe kleur. Het is fijn om even heel erg te houden van je eigen land, als je voor de rest niet zoveel met oranje hebt. Stuur mij in januari maar naar een paalwoning op Bora Bora. Nooit in mei en juni.
Want ik houd van mijn eigen tuin in mei…
En hoe irritant die schlemiele duiven in hun nest in de esdoorn pal aan het terras ook zijn (werkelijk, duiven, wie heeft dat soort ooit bedacht?), ik gedoog ze beter dan welke Wilders dan ook. De merels maken veel goed.
Over lentekriebels gesproken, er woont hier een jongedame in huis die qua hele jonge hormonen het perfecte slachtoffer is voor hedendaagse boybands zoals One Direction. Ik vind dat prima en begrijpelijk en geniet van zo’n fase. Dat je nog niet nadenkt over commercie en zoekende bent naar iets wat met passie te maken heeft. En in al die onzekerheid zoekt naar iets wat jou verbindt met anderen. Vijf mooie jongens bij elkaar brengen en zingen over dat jij mooi bent zoals je bent, dat wil je horen als meisje. Dat snapt Simon Cowell prima. En ik ben de laatste die dat uit gaat leggen aan mijn twaalfjarige bakvis. Sterker nog, we zorgen voor kaartjes en zij heeft de avond van haar leven. Goed begin van de vakantie. Samen met vriendinnetje en Oudste, die als ‘begeleider’ mee ging, zodat Peet en ik weg van het gegil op een terrasje buiten konden wachten.
In de rij van duizenden meisjes, vol verwachting klopt mijn hart….
Prachtig om te zien, huilende meisjes die na afloop buiten kwamen. En een ander fenomeen rondom een concert met een doelgroep die niet zelf reist: heel veel wachtende ouders, een uur te vroeg. Mooi beeld.
Die meiden toch, “deskundigen verklaren”, zie hier —> Wat meiden in boybands als One Direction zoeken
Afgelopen week zijn we er even tussenuit gepiept richting zee. Dat soort dingen zijn hier in huis redelijk last minute-werk. Naar zee willen, geen zin om op één dag teveel te reizen en voor een nacht hotelletje boeken. Zo’n aanbiedinkje en dat je dan per ongeluk in een heel prettig hotelletje beland soms (ook wel eens enorm tegen gevallen), maar was echt heerlijk. Van kamers, kunst, sfeer tot ontbijt. Vooral fijn, omdat Oudste fikse keelontsteking had en tussendoor kon rusten. En dat de zee toch zo heerlijk is. En ja, Nederland. Onderweg en niet per sé in de file naar de Keukenhof. Daarvan hoorden wij op het nieuws vlak voordat we hier gewoon langs reden. Grappig.
En de zee. Dat effect. Vooral ‘s avonds.
Vrijheid. Dit maakt mij heel erg blij. … deze foto.
En het is nogal een heel gedoetje, dat genieten van alles en wensen dat een dag tachtig uur zou hebben en dat het niet nodig is te slapen. Wat helaas wel zo is. Nu ben ik vooral heel erg van het nu. Degenen die veel verder en wijzer zijn dan ik zeggen dat je niet in het verleden moet blijven hangen. Dat zal zo zijn, maar ik kan het Nu alleen maar meer omarmen, met dat verleden en dat besef. Dan ben ik maar die zeikerd die vertelt over dat jaar geleden. Alles hiervoor is bepalend voor hoe ik nu ben en waar ik nu van geniet. Of van baal. De toekomst, daar heb ik niet zoveel mee. Morgen moet ik ook maar zien of dat lukt of niet. Juist alle jaren voor vandaag maken dat ik nu alles ervaar zoals het is. Ervaringen van toen, ervaringen van nu. Mensen van toen, mensen van nu. Ik dwaal wel eens af en heel vaak dwalen ‘anderen’ af van mij. Dat hoort er ook bij, weet ik inmiddels. Ik kan niet anders dan dit, zijn zoals ik ben op sommige momenten in het nu en toen.
Dat is het wel zo’n beetje.





















